Het gladde ijs van de zomerende NVA

Bruno van Branden.

Het lijkt wel of de NVA de zomervakantie niet genegen is. Je kon deze week geen krant openslaan of je vond er wel een of ander betoog over de inperking van de vrije meningsuiting. Naargelang het intellectueel kaliber van het desbetreffende NVA kopstuk varieerde de meningen tussen nietszeggende gemeenplaatsen op Twitter van de hand van De Ridder tot een zes pagina’s tellend rafelig betoog over de noodzaak tot inperking van de vrije meningsuiting van de hand van Peter de Roover. Die ziet geen graten in het monddood maken (lees: vervolgen) van onze “binnenlandse vijanden”, want we “zijn in oorlog”, en “elke vijand telt bondgenoten in het binnenland. Die worden ook altijd bestreden.” Vervolgens gaat De Roover ongegeneerd verder: “Collaborateurs moeten worden bestreden, ook als ze zich beperken tot woorden. Wie die basisregel negeert, rest slechts het lot de oorlog te verliezen.”
Toen ik dit las had ik gelukkig net mijn koffie op. Dat redde de ochtendkrant. Maar mijn humeur viel niet meer te redden. Niet zozeer omwille van zoveel onkies truïsme geëtaleerd door de fractievoorzitter van een partij die, gezien haar onweerlegbare historische banden met de collaboratie tijdens WOII, zich des te meer zou moeten bewust zijn van de gevolgen van zulke oorlogsretoriek – dat de NVA met graagte het verleden van zijn leden bagatelliseert is genoegzaam bekend – maar wel omwille van de apodictische gebrekkigheid van zijn redenering. En omdat er aan uw en mijn vrijheid wel een paar woorden mogen worden vuilgemaakt, is een analyse van De Roover’s marginalia mijn vrije vrijdagavond wel waard. We zullen er dus maar aan beginnen:

Vooreerst laat De Roover, in navolging van zijn partijgenoot Jambon (ook niet verlegen om enige gemeenplaats), uitschijnen alsof we in oorlog zijn. Mogelijk is het De Roover ontgaan dat het eigenste gebruik van de term “oorlog” impliceert dat je dat bent tussen twee (of meer) volken. Ik geef De Roover het voordeel van de twijfel, maar tenzij het zijn bedoeling is te laten uitschijnen dat “we” in staat van oorlog zijn met “de” moslims, is het oneigenlijk gebruik van de term “oorlog” niet alleen feitelijk onjuist, maar bovenal onverantwoordelijk, onkies en verdelend.
Erger is het gegeven dat De Roover koud en schaamteloos voorstelt om “collaborateurs” te “bestrijden”, ook als die hun ideeën enkel met woorden toegenegen zijn.
Een mens zou denken dat we 70 jaar na de laatste wereldbrand iets hebben geleerd uit de vergissingen die we toen maakten (het collectief opsluiten van alle Japanners in de VS, de repressie van De Roover’s voorgangers bij de bevrijding, etc), maar niet zo scherprechter Peter De Roover. Die vindt zich, de inquisitie gelijk, unilateraal gemachtigd te bepalen wie de witten zijn, en wie de zwarten. Met de tijdsgeest aan zijn kant voelt hij zich gerechtigd een van de belangrijkste pijlers van onze rechtstaat met de voeten te treden, namelijk het recht op vrije meningsuiting, ongeacht hoe schofferend, schokkend of van de pot gerukt die ideeën ook mogen zijn. Hij stapt daarmee in een trend die al een paar jaar zichtbaar opgang maakt, namelijk het verschuiven van onze kijk op vrije meningsuiting van mogelijk subjectief schadelijk voor het individu naar zogezegd objectief schadelijk voor de maatschappij. Het idee is dat wanneer het aanzetten tot haat een bepaald niveau van alomtegenwoordigheid in een samenleving bereikt, de vrije meningsuiting moet worden beperkt om ervoor te zorgen dat de participatieve rechten van iedereen worden beschermd. Op het eerste zicht lijkt dit een verdedigbaar standpunt. In werkelijkheid kampt deze nieuwe visie op de vrije meningsuiting met dezelfde en evenveel problemen als elke andere roep tot beperking van dit fundamenteel recht.
Om er maar een paar te noemen: Wie bepaald wat aanvaardbaar is en niet, en op welke basis ? Wat is de sociale kostprijs van het brandmerken en stereotyperen van minderheden als gevaarlijk, minderwaardig of indigent ? Of nog, wat zijn de implicaties wanneer je de betrokken partijen het recht ontzegt te reageren op en zich te wapenen tegen haatpredikers en fundamentalisten ? En waarom expliciet het verspreiden van moslim fundamentalisme verbieden, terwijl je er slechts twitter en Facebook op moet naslaan om overwelmd te worden door vuilspuiterij, rabiaat racisme en bakken ranzigheid ? Is het trouwens niet schadelijk voor de samenleving klimaatontkenners hun ding te laten doen ?
Het idee dat het spuien van haat schadelijk is voor de maatschappij is niet alleen kortzichtig en bekrompen, maar ook feitelijk onjuist. Hoe pijnlijk, schofferend of gevaarlijk de ideeën van sommigen ook mogen zijn, toch is het in ons collectief voordeel iedereen een stem te geven, want in een klimaat van vrije intellectuele uitwisseling worden hatelijke en gevaarlijke ideeën weerlegd en in diskrediet gebracht. Op die manier gaan ze niet ondergronds, zijn ze controleerbaar en te bestrijden. Het genie van de open samenleving is dat deze gebruik maakt van het hele scala van openbare kritiek, waaronder beledigende en kwetsende uitspraken, en zo op een gedecentraliseerd wijze fanatisme ontmaskerd en onze westerse waarden verdedigd. Verwerpelijk gedachtegoed verdwijnt immers nooit uit de hoofden door het te verbieden.

Als De Roover in een zeldzaam moment van verlichting in zijn betoog poneert dat ons samenlevingsmodel “geen stand zal houden als we het niet actief verdedigen”, dan heeft ie overschot van gelijk. Het probleem van De Roover en bij uitbreiding de NVA én alle voorstanders van de inperking van het vrije woord, is dat ze nooit duidelijk kunnen maken waar de lijn te trekken tussen het verspreiden van haat enerzijds en het uiten van uitgesproken kritiek anderzijds, noch wie dan wel gekwalificeerd mag zijn om ze te trekken. De reden is duidelijk, er is geen lijn te trekken. Scherpe sociale kritiek van het soort dat we nodig hebben om onze maatschappij te boetseren is immers vaak pijnlijk en confronterend, en verrassend vaak bedoeld kwetsend te zijn. Of zoals de historicus en filosoof David Hull ooit zei: “Scientists acknowledge that among their motivations are natural curiosity, the love of truth, and the desire to help humanity, but other inducements exist as well, and one of them is to get that son of a bitch.”

Bruno van Branden

Leave a Reply