omhelzing

in de goudglans van de nacht
die zwaar naar stilte geurt
vind ik haar in bed
verstrengeld met het deken

ze droomt bang
en woelt zich bloot

ik fluister haar naam
in de avond en droom weg
zwaar van zaligheid en slaap
nu zij zich zo willig laat omhelzen

zestien

ze was pas zestien
en ik – ik was zoveel ouder,
zoveel kouder

grote ogen zochten naar genegenheid
dus verlieten we de zaak
op de loper van m’n begeerte
die reikte tot het huis
waar ik toen woonde

dat was pas leven
na 18 jaar tergend trage eenzaamheid